Nut, efficientie én schoonheid – Yosser Dekker over kunst in participatieve beleidsvorming 

We roepen het zo vaak: ‘Betrek kunstenaars bij maatschappelijke vraagstukken!’  We organiseren regelmatig bijeenkomsten waar we steeds voor eigen parochie spreken over het belang hiervan. Kunstenaars en social designers schrijven er steeds weer hetzelfde boek of artikel over.

Maar de vraag die na zo’n boek of bijeenkomst altijd blijft hangen is: als de bijdrage van kunstenaars echt zo goed is, wat weerhoudt beleidsmakers er dan van om kunstenaars in hun vraagstukken te betrekken? 

Om het gesprek hierover een stap verder te brengen, ga ik in dit blog in gesprek met makers van kunst én makers van beleid. Met deze artikelen hoop ik dat beide makers elkaar inspireren en elkaar beter weten te vinden. 

 

Allereerst is het de beurt aan Yosser Dekker. Hij is de man achter Ruimtekoers, een festival waarin kunst en cultuur worden ingezet als participatief onderzoek om met inwoners toekomstbeelden te schetsen als oplossingen voor vraagstukken die op wijkniveau in de stad leven. Dit jaar ontwikkelde hij in het kader van zijn Master Crossover Creativity aan de HkU de Ruimtekoersmethode, waarin hij zijn eigen maakpraktijk theoretisch onderbouwt en vertaalt naar een ‘handboek voor de rebellerende stadsmaker’.

Heidi Linck: Wat is volgens jou, idealiter, de betekenis van kunst in de ontwikkeling van de stad?

Yosser Dekker: Dan denk ik niet aan kunst als product, in de zin van: de kunstenaar maakt een beeld, tadaa…maar over processen. Ik denk dat de kracht van kunst is dat kunst kan prikkelen, voorstellen, bevragen door middel van verbeelding. Kunstenaars kunnen dit goed, omdat zij op een andere manier kijken en denken. Kunstenaars zijn getraind om tegen de stroom in te denken. 

Het tweede is dat kunstenaars, hoewel dat soms best lastig is, een participatieve functie kunnen hebben. Zij kunnen mensen bij elkaar brengen. Dat vind ik belangrijk om te noemen, omdat ik ervaar dat Kunst, met de grote K, wat is afgezonderd geraakt van de samenleving. Sinds de Verlichting is kunst een op zich zelf staand ding geworden, terwijl het voorheen veel meer onderdeel van de samenleving was. Zo zei de Romeinse architect Vitruvius: we bouwen alleen als het voldoet aan drie principes: 

I Het moet nut hebben wat we gaan bouwen. Een functie. 

II Het moet efficiënt gebouwd worden, lang kunnen staan. 

III Het gebouw moet een beleving van schoonheid kunnen delen. 

En als je nu kijkt naar die gebouwen, die er nog staan, dan zie je ook dat ze echt heel mooi gebouwd zijn. Je ziet zichtlijnen, symmetrie, verhalen…En deze beleving van schoonheid zou je kunnen zien als kunst, maar dan wel kunst die verbonden is met die twee andere principes. Het lijkt er op dat schoonheid op zich zelf is komen te staan, en dat we ons nu als samenleving vooral richten op nut en efficiëntie. Alles moet functioneel en kosten-efficiënt zijn. 

De schoonheid is afgezonderd en verworden tot kunst met als doel kunst, kijk maar naar hedendaagse kunst. Je kunt bijvoorbeeld in het museum naar een schilderij van Rothko kijken, en daar helemaal van overdonderd raken. Maar wat zegt dat over de samenleving? Het werk is voor getrainde kijkers. Maar stel je eens voor, wat nou als we de kracht van Rothko terugbrengen in de samenleving? Wat nou als Rothko projectleider was bij Gebiedsontwikkeling ergens in Nederland? Dan wordt het interessant, want dan dringen zich vragen op rondom het nut en de efficiëntie ervan. Een onderdeel van dat nut is veiligheid, en voor de efficiëntie moet het proces voorspelbaar zijn. Maar als je de esthetiek van Rothko er in brengt, dan krijg je iets heel geks. Het resultaat zou echter fantastisch kunnen zijn. Misschien zou iedereen er wel heel blij mee kunnen zijn. Maar dat zullen we nooit weten, want Rothko heeft dat nooit gedaan. 

Dus als ik denk over de participatieve kracht van kunst dan denk ik over de mate waarin de kunstenaar zijn kunst weet in te brengen in die samenleving van nut en efficiëntie. Want die samenleving is nodig aan vernieuwing toe. En dat gaat er dus ook over dat je mensen weet onderdeel te maken van jouw kunstidee. Jouw kunstidee is dan eigenlijk veel meer een samenlevingsidee, want het gaat ook over die efficiëntie en dat nut.

 

Wat nou als Rothko projectleider was bij Gebiedsontwikkeling ergens in Nederland?

 

HL: Wanneer zou dat voor jou succesvol zijn, als een kunstenaar inderdaad zijn kunst op die manier in de samenleving brengt?  

YD: Ik denk dat je dan moet kijken naar voor wie je het een succes wilt laten zijn. Voor de autonome kunstenaar? Die wil autonoom zijn, en heeft heel andere belangen dan inwoners van een bepaalde wijk waar ontwikkelingen gaande zijn. 

Verandering en nieuwe inzichten, dat zien wij bij Ruimtekoers als succes. En dat meten we: we laten in Ruimtekoers onderzoekers meedraaien die door interviews, gesprekken en observaties onderzoeken wat de impact is van een project. We analyseren het succes aan de hand van drie smaken:

Allereerst het succes op het individuele niveau: ontwikkeling van sociale creatieve competenties. We onderzoeken dan: Hebben mensen een competentie of vaardigheid ontwikkeld en gaan ze er mee door na de deelname? 

Dan heb je verandering op het niveau van het thema: is het thema in een volgende fase beland? Is het van idee naar uitvoering gebracht? 

En het derde niveau: is het thema verankerd in beleid? Dat is waar het mij uiteindelijk om gaat: dat wij op een meer inclusieve wijze het beleid met elkaar bepalen. Beleid gaat over ons allemaal. Het bepaalt hoe we naar dingen kijken. De impact zou daar dan ook moeten zitten. 

HL: Vraag je kunstenaars om een toekomstbeeld dat al bestaat te verbeelden, of om samen met inwoners een nieuw toekomstbeeld te scheppen?

YD: Dat laatste. We werken vanuit vraagstukken die spelen in de wijk, die we terugbrengen tot een bepaald groter thema. Bijvoorbeeld: De energietransitie komt eraan, maar over de uitvoering ervan is nog veel onduidelijk. Hoe zorgen we ervoor dat de inwoners van de wijk Immerloo meebeslissen over de aanpak in hun eigen wijk en huis? Dat vertalen wij naar naar gesprekken over ‘duurzaam leven’. Lekker breed, want zo is er ruimte voor de inwoner voor eigen inbreng. En is de probleemstelling niet alleen van ons of de gemeente, maar maken we samen een probleemstelling of onderzoeksvraag. En een gedeeld probleem leidt tot een gedeelde oplossing.

Hierin ontstaan gesprekken, waarin alle stakeholders en inwoners hun waarden inbrengen. Daaruit volgt een mapping, waarin al die waarden terugkomen. Die mapping kan een schets zijn, of een video, dat is aan de kunstenaar. Met die mapping van de huidige situatie gaat de groep van betrokkenen samen met de kunstenaar nadenken over hoe de mapping van de toekomstige situatie zou moeten zijn. Welke waarden daar in terugkomen. En hoe we daar komen. En hoe dat toekomstbeeld eruit ziet, dat is de expertise van de kunstenaar om dat te verbeelden. En om dat in een participatief proces in te brengen. 

 

HL: Dat is niet aan elke kunstenaar besteed. Wat moet een kunstenaar in huis hebben om een dergelijk participatieproject te kunnen doen?

YD: Een open houding is denk ik het meest belangrijke. Ze moeten het leuk vinden om een plan te hebben dat nog niet af is. Dat flexibel en experimenteel is. Maar dat óók esthetisch overtuigend is. En het gaat er om dat je je project in de openbare ruimte doet, en dat dus ook je proces openbaar is voor iedereen, ook voor niet-deelnemers. Zodat het toekomstbeeld een grotere reikwijdte krijgt. Het is belangrijk dat dat toekomstbeeld tastbaar is, dat je het kunt aanraken. Dat het onderdeel kan zijn van je leven. De juiste esthetiek is daarbij heel belangrijk.

 

HL: Wat zie jij als succesfactoren, of randvoorwaarden, voor deze processen?

YD: Als maker kun je succes boeken, door niet te zeer gericht te zijn op jouw oplossing, maar door die oplossing te laten ontstaan in een participatief proces. Waarin gespeculeerd wordt over wat het toekomstbeeld zou kunnen zijn, en wat jij eigenlijk vindt. Als je een relatie aangaat met je deelnemers komen er zoveel meer waarden en behoeftes van mensen naar boven dan wanneer je alles in één gesprek probeert te bereiken. Dan bereikt het project een intimiteit waarin die behoeftes gedeeld worden. En dat is iets voor de social designer 2.0 maar ook voor de geëngageerde maker. Om dat goed vorm te kunnen geven helpen wij de maker, we ontlasten de maker zodat de maker gewoon maker kan zijn en zich niet bezig hoeft te houden met randzaken. Ook dat versterkt het succes.

 

HL: Inclusiviteit is essentieel voor de Ruimtekoersmethode. Je wilt bereiken dat iedereen mee doet. Maar hoe kun je dat doen met kunst, dat toch juist vaak iets exclusiefs is?

YD: Door het niet als een kunstproject te presenteren in de wijk.

HL: Maar bedoel je dan dat we het moeten verpakken, vermommen zelfs? 

YD: Haha, ik denk dat het gaat over de perceptie van wat kunst is. Kunst heeft ook een eigen taal, maar soms moeten we de taal spreken van publiek. Wij doen met onze projecten onderzoek in de wijk naar wat mensen beweegt, interesseert, waar ze warm voor lopen en wat hun strubbelingen zijn. En met makers, kunstenaars en ideeën proberen we daar op aan te haken. En met hen samen een project te starten. 

In het verhaal van de energietransitie kwamen wij er achter dat allerlei vrouwen zich bezig hielden met borduren, naaien en textiel bewerken. Een heel netwerk in de wijk, die niet echt zichtbaar was. En we hadden een ontwerper, Pauline van Dongen die ‘zonnestof’ maakt: een textiel verweven met zonnecellen. Dat bleek een geweldige combinatie. Pauline is met die vrouwen in het winkelcentrum gaan weven. Dat was een enorm succes. Er kwamen verhalen los, bijvoorbeeld over de weefgetouwen van familie in Turkije. Mensen vertelden het aan elkaar door. En zo ontstond er een coalitie van bewoners dus nu hun ambacht mengen met de ideeën van ontwerper Pauline.

 

HL: Wat vraagt het van de opdrachtgever om deze projecten succesvol te laten zijn?

YD: Het vraagt om een betrokken opdrachtgever. Het maakt natuurlijk wel uit of wij in opdracht werken of op eigen initiatief. Als het ons eigen initiatief is, dan vragen we budget en dan is de gemeente meer financier op afstand. Maar we zouden dit jaar in opdracht iets heel waardevols gaan doen met de Omgevingsvisie Arnhem. We zouden workshops organiseren met allerlei makers, om bijvoorbeeld het gesprek te voeren over de waarde van groen tegenover het belang van zonnepanelen. Dat is nu een grote vraag, net als: Komt er wel of geen hoogbouw? Hoe gaan we al die ruimtes indelen dat iedereen blij is? 

Ik geloof niet in zaaltjes met systeemplafonds en lauwe koffie. Ik geloof in participatieve processen, in samen maken en tijdens dat maken allerlei gesprekken voeren over waarden en wensen. Het is van belang dat de opdrachtgever een positief project met je beleeft, zodat hij je de volgende keer weer vraagt en je dus weer invloed kan hebben op de beleidsvorming. 

 

Ik geloof niet in zaaltjes met systeemplafonds en lauwe koffie. Ik geloof in participatieve processen, in samen maken en tijdens dat maken allerlei gesprekken voeren over waarden en wensen.

 

HL: Maar je wil niet dat de opdrachtgever alleen maar mooie sier maakt met jouw project. Je wilt niet dat het aan de oppervlakte blijft, als ik jou goed begrijp wil jij juist de diepte in.

YD: Klopt. Toch is dat wel aan de hand: dat opdrachtgevers via participatie-projecten hun verantwoordelijkheid afkopen. Die zeggen dan: ‘Kijk, ik heb groot bureau X ingehuurd, dit is het beste bureau, dus als het fout gaat ligt dat niet aan mij’. En dat grote bureau komt aan die goede naam omdat zij steeds maar al die ambtenaren tevreden houden. Dus nooit risico’s nemen. 

 

HL: Dus een opdrachtgever zou wel bereid moeten zijn om risico te nemen, op een uitkomst die hij niet verwacht had? 

YD: Ja. En je hebt een aantal opdrachtgevers die dat heel goed kunnen. Het is wat rigoreus, maar je zou mensen en dus ook beleidsmakers kunnen opdelen aan de hand van behoefte aan verandering of innovatie. Iemand die niet van verandering houdt past niet bij dit type projecten, maar iemand die graag wil innoveren en experimenteren juist des te meer. Er is ook een groep daartussen, die moeten we overtuigen. Die moeten we helpen. Dat is ook waarom wij nu een onderzoek doen: we hebben nu acht cases waarmee wij kunnen laten zien dat het werkt en hoe dat in de praktijk gaat. 

Maar ook binnen de cultuursector is vernieuwing nodig. Waarom maken en presenteren we kunst nog in een black box of een white cube? Toen Covid kwam, hoopte ik dat het theater of het museum zich naar de straat zou verplaatsen. Veel instellingen zeggen wel dat ze inclusief zijn, maar dat zijn ze niet echt. Het publiek is nooit echt een afspiegeling van de samenleving. Misschien moeten de instellingen dan ook niet zeggen dat ze er voor iedereen zijn. Want dat zijn ze simpelweg niet. 

In Malburgen is geen museum. Wij programmeren kunst en cultuur op straat. Zoals straatartiesten met een regenboogtrap tegen muren omhoog klommen. Ik zag een jongetje misschien wel 20 minuten onafgebroken kijken met open mond en grote ogen. Later kwamen zijn ouders daar ook bij, het jongetje had ze waarschijnlijk gehaald. Ze maakten foto’s. Dat is de kracht van kunst. Zij hadden dit misschien nooit gezien als deze makers hun performance in het museum deden. 

 

HL: In musea gaat het ook heel erg over bezoekersaantallen. Dan zijn deze drie kijkers weinig waard, terwijl de kwaliteit van hun ervaring met die twee makers juist heel hoog was. 

YD: Daarom verantwoorden wij ons liever met dit soort anekdotes dan met cijfers. Ja, die cijfers noemen we ook, maar hier gaat het om. 

 

HL: Maar hoe positioneer jij je in jouw projecten?

YD: Ik ben programmamaker, curator, conceptontwikkelaar,…maar ik ben niet de kunstenaar. 

De kunstenaar en programmamaker staan naast elkaar in onze projecten. Het is een duo, maar de kunstenaar is artistiek verantwoordelijk. En ik ondersteun de kunstenaar, maar bewaak ook het concept van Ruimtekoers. En check de randvoorwaarden. Een kunstenaar kan bijvoorbeeld geen groot vuur maken bij een pompstation, maar wel een lichtkunstwerk. Maar behalve mijn rol als programmamaker ben ik ook bezig met het vertellen van dit verhaal. Ik heb een missie, namelijk dat er meer volgens Ruimtekoers gewerkt gaat worden. 

 

HL: Dus het gaat vooral om conceptuele kunstenaars, die vanuit ideeën werken en niet vanuit vorm of materiaal?

Y: Dat zie ík nou als autonome kunstenaars, kunstenaars die met ideeën werken en daar verschillende vormen aan kunnen geven. Autonomie gaat ook over bewegingsvrijheid. Kunstenaars die conceptueel werken zijn in mijn ogen veel wendbaarder en hebben meer vrijheden. Zij zitten niet gevangen in een vast beeld met een vast materiaal of product. 

 

Kunstenaars zijn eigenzinnig, super autonoom, komen met eigen ideeën, willen alles tegendraads. En gelukkig maar, want zonder de kunstenaar hadden we nooit de veiligheid en welvaart gehad die we nu ervaren als samenleving. Maar het verkopen van de kracht van de kunst en kunstenaar is wel wat anders.

 

HL: In zekere zin ben je ook activist.

YD: Haha, ja, misschien ben ik dat wel. Ik heb wel een hele inhoudelijke drive. Vanuit idealen de wereld willen veranderen. Ik wil laten zien dat er alternatieven zijn op de huidige maatschappelijk verbanden. Het gaat niet alleen om ‘zien’, maar ook om ervaren, voelen en ruiken. Een beleving van een toekomst waarin de huidige verbanden anders zijn. En die nieuwe verbanden binnen die huidige banden presenteren is een vorm van opstand en verzet. Ik vind het van belang dat heel veel mensen daar bij aanwezig zijn. 

 

HL: We kwamen net op drie type mensen en beleidsmakers. Verklaart dat ook waarom er, ondanks dat we zo enthousiast zijn over de potentie van kunst en kunstenaars, die kunstenaars toch niet aan tafel zitten? Waarom worden wij als kunstenaars nog steeds nauwelijks betrokken in bijvoorbeeld gebiedsontwikkeling?

YD: Omdat het werken met kunstenaars soms als ‘lastig’ kan worden ervaren. 

 

HL: Maar wat maakt werken met ons dan zo lastig?

YD: Kunstenaars zijn eigenzinnig, super autonoom, komen met eigen ideeën, willen alles tegendraads. En gelukkig maar, want zonder de kunstenaar hadden we nooit de veiligheid en welvaart gehad die we nu ervaren als samenleving. Maar het verkopen van de kracht van de kunst en kunstenaar is wel wat anders. Je zou het moeten vermommen, maar niet alle kunstenaars willen dat, ze zijn oprecht en eerlijk. En ook dat is zo waardevol. Ik denk toch echt dat het moet, het is de enige manier. 

Als kunstenaar moet je heel goed weten wat je kracht is, en die kracht moet je vertalen naar de taal van de ambtenaar. Net zoals wij met Ruimtekoers de taal van de wijk willen leren spreken. We kunnen de ambtenaar niet veranderen, maar wel de output van zijn werk. 

 

HL: Maar die ambtenaar moet kunnen uitleggen wat het nut is van het betrekken van de een kunstenaar in een vraagstuk. 

YD: Ja, dat is de hamvraag hè. Wat is het nut van de kunstenaar? En zit de ambtenaar er wel op te wachten dat mensen sociaal en creatief vaardiger worden? Dat is niet altijd in het politiek belang. 

Ik denk toch dat we op de troepen vooruitlopen hiermee. Participatie en emancipatie worden de komende jaren veel belangrijker. Kijk naar dit jaar, met Black Lives Matter en alle demonstraties die er zijn. Mensen zijn ontevreden. Hoe zorg je dan dat jouw beleidsoplossing aansluit bij de beleving van iedereen, en niet alleen bij de mensen die het hardst schreeuwen? Je moet nu alvast voorsorteren, onderzoeken wat wel en niet werkt, zodat je straks impact kunt maken. 

Ik denk dat het een hele mooie vraag is voor jouw blog, wat is het nut van de kunstenaar. En vergeet de efficiëntie niet ; )

 

Website Yosser Dekker: www.ruimtekoers.nl

Foto’s met dank aan Yosser Dekker. De foto’s van het Ruimtekoers festival werden gemaakt door Valerie Spanjers.